
Een pastiche is eigenlijk gewoon jatwerk! Of zoals Van Dale het omschrijft: ‘een stijlnabootsing’. Je baseert wat je schrijft of schildert (of wat je maar aan creatieve bui hebt) op een bestaand werk, een thema of de stijl van iemand anders. Het liefst doe je dat dan ook nog eens op een enigszins parodiërende manier.
Hieronder een paar voorbeelden van anderen. Eerst (een deel van) het originele gedicht, daarna de pastiche. Vervolgens… ook een voorbeeld van Sonia. Binnenkort volgen nog veel meer pastiches van Sonia (ze belooft dat deze parodiërender zullen zijn).
Mr. Hieronymus van Alphen
De Pruimenboom
Jantje zag eens pruimen hangen,
Oh, als eieren zo groot,
’t scheen dat Jantje wou gaan plukken,
schoon zijn vader ’t hem verbood.
(…)
John O’Mill
Pruimejantje
Jantje zag eens pruimpjes hangen
Oh, als eieren zo groot;
De tuinman zag zijn bolle wangen
En sloeg de vuile gabber dood.
Willem Kloos
Ik ween om bloemen in de knop gebroken
en vóór de uchtend van haar bloei vergaan,
Ik ween om liefde die niet is ontloken,
en om mijn harte dat niet werd verstaan.
Coos Neetebeem
Ik ween om bloemen in de knop gebroken
en v’óór de uchtend van haar bloei vergaan.
Ik had er zeven vijftig in gestoken.
Je zou zo’n rotzak ongelukkig slaan.
A.C.W. Staring
Oogstlied
Sikkels klinken
Sikkels blinken
Ruisend valt het graan
Zie de bindster garen!
Zie, in lange scharen,
garf bij garven staan!
Coos Neetebeem
Sikkels klinken
Sikkels blinken
Ruisend valt het graan
Als je iemand weg ziet hinken
Heeft hij ’t dus fout gedaan
C. Buddingh
De Blauwbilgorgel
Ik ben de blauwbilgorgel
Mijn vader was een gorgel,
Mijn moeder was een porulan,
Daar komen vreemde kind’ren van.
Raban! Raban! Raban!
Ik ben de blauwbilgorgel,
Ik lust alleen maar gorgel,
Behalve als de nachtuil krijst,
Dan eet ik riep en rimmelrijst.
Rabijst! Rabijst! Rabijst!
Ik ben de blauwbilgorgel,
Als ik niet wrok of worgel,
Dan lig ik languit in de zon
En knoester met mijn knedizon.
Rabon! Rabon! Rabon!
Ik ben de blauwbilgorgel,
Eens sterf ik aan de schorgel,
En schrompel als een kriks ineen
En word een blauwe keizelsteen.
Ga heen! Ga heen! Ga heen!
Sonia ter Vaams
De Hullefnukkel
Ik ben de hullefnukkel
Mijn vader was een tullenporukkel
Mijn moeder was een karikunoon
En ik ben hun jongste zoon
Kiboon! Kiboon! Kiboon!
Ik ben de hullefnukkel
Het enige dat ik eet is toerestukkel
Behalve als het ochtendlicht gloort
Dan eet ik flapsen en suikerkoboort
Galort! Galort! Galort!
Ik ben de hullefnukkel
Als ik niet hulles of hukkel
Dan zwem ik in het water
En klats ik samen met de katater
Nater! Nater! Nater!
Ik ben de hullefnukkel
Eens sterf ik aan de klipselschukkel
En word ik een slikhete pierelslop
Met een wikwitte en grepgroene snulkop
Rot op! Rot op! Rot op!